De Wekker. Fundamenteel Moeten we echt aan de andere kant beginnen? – deel 2 van 3. Deel 1 [artikel] Deel 3 [artikel]
Het geschreven of het ervaren Woord?
Door J.W. Maris Wat gebeurt er als naast het luisteren naar de Schrift andere instanties komen die bepalend of mede bepalend worden voor wat onder ons als waarheid geldt? We gaan iets nader in op de grote wijzigingen die in het denken en in de publicaties van Willem Ouweneel zijn gekomen. Hij heeft van denkers die hij eerder volstrekt afwees, omdat hun manier van denken vol dwaling was, nu opvattingen aanvaard en vindt dat ze als heel waardevol kunnen worden gebruikt. Laat daarbij duidelijk zijn, dat Ouweneel wel degelijk een bijbels denker wil blijven. Zijn intussen verschenen delen op het terrein van de systematische theologie bevatten heel wat waar een gelovig gereformeerd mens mee kan instemmen, al werken daar de veranderde visies natuurlijk ook door. Waar het boek van Van der Ven de vinger bij legt is inderdaad tot uiting gebracht in de titel Sluiers over de Schrift. De spannende vraag is en blijft: Wat haal je binnen als je (deels) het denken van mensen die beslist niet naar de Bijbel luisteren, gaat gebruiken? Ervaring van het Woord ongelijk aan luisteren naar de Schrift De verandering bij Ouweneel is diep-existentieel geweest. Ze leidde bij hem tot de overtuiging dat de geloofservaring van Gods Waarheid een andere benadering moet opleveren van de Schrift. Een liefdesband met de God van het Woord kwam lijnrecht tegenover een rationeel-theologische overtuiging te staan aangaande de Heilige Schrift. Het geloof zelf is immers boven-rationeel en stijgt boven formuleringen en confessies van de waarheid uit. Centraal uitgangspunt is voor een christen niet de Bijbel, maar de God van de Bijbel. Een dergelijke post-moderne positie roept de vraag op of het nemen van het uitgangspunt in de Bijbel soms ook bij iets anders zou kunnen brengen dan bij de kennis van God… Voor Ouweneel, die als gelovige geen enkel probleem heeft de Heilige Schrift te erkennen als het onfeilbare gezaghebbende Woord van God, ontstaat er toch een afstand tot zo’n erkenning wanneer hij als theoloog zich theoretisch wetenschappelijk rekenschap gaat geven van wat wij een dergelijke geloofsstelling nu eigenlijk betekent. Voor hem is er niet zomaar een is-gelijk-teken te zetten tussen de Bijbel en Gods Woord. Feitelijk hoeft dat voor hem ook niet, want het eeuwige Woord van God, dat in de Schrift onder ons is gekomen, blijft tegelijkertijd – hoewel niet zonder de Schrift – ook door de Heilige Geest op zo’n manier eeuwig standhouden, dat het ook rechtstreeks tot mijn geest komen kan. Het gevolg daarvan is een nadrukkelijke relativering van alle intellectuele leer, en tevens een innerlijke overtuiging van de zaken die hij op die manier als zekerheden heeft leren kennen, dat het op grond van de Bijbel stellen van vragen daarbij heel moeilijk geworden is. Met de diverse veranderingen in het spreken en handelen van Ouweneel – ook van standpunten die inmiddels tegengesteld zijn aan wat tevoren met grote stelligheid was uiteengezet - is wel de grote nadruk en stelligheid van zijn overtuigingen gebleven. Feitelijk is die nog sterker geworden, en maakt iemand het zich niet gemakkelijk die vragen bij zijn ontwikkeling stelt. Van der Ven heeft een moedige en grondig verantwoorde poging gedaan om te appelleren op Ouweneels verantwoordelijkheid in het licht van de Schrift, maar in het licht van de persoonlijke ervaringsbasis waarop Ouweneel zijn nieuwe opstelling grondt, blijkt het bijna niet mogelijk tot een echt gesprek te komen. Het aangeduide onderscheid tussen de Heilige Schrift en het ervaren Woord lijkt tamelijk subtiel, maar er is wel concreter aan te geven hoe op deze manier andere invloeden een rol zijn gaan spelen, die voorheen ondenkbaar waren. Rupert Sheldrake Ouweneel is gefascineerd geraakt door de holistische theorieën van de bioloog Rupert Sheldrake die een hypothese ontwikkelde waarbij in het onderzoek naar de kleinste deeltjes in de quantumtheorie niet alleen de materie maar ook alle levensvormen en eveneens het bewustzijn in een alomvattende samenhang worden gezien. De gedachte dat bijvoorbeeld het bewustzijn van mensen ook de fysische werkelijkheid kan beïnvloeden is daarmee niet meer voorbehouden aan het terrein van paranormale (of psi-) krachten – waar een christen vanouds de in de Bijbel afgewezen wereld van magie en tovenarij in herkent - maar komt binnen het bereik van serieus wetenschappelijk onderzoek te liggen. Ongeveer twintig jaar geleden waren de ideeën van Fritjof Capra, die een samenhang tussen quantummechanica en mystiek bepleitte, een sterke impuls voor de enorme golf van New Age-denken in die tijd. Christenen hebben – onder andere in het licht van wat zij van Willem Ouweneels Het domein van de slang hebben geleerd – dit holisme steeds afgewezen. Daarin wordt immers o.a. het onderscheid tussen Schepper en schepsel, en tussen geest en stof uitgewist. Bij Sheldrake gaan zijn ideeën samen met atheïsme en een diepe belangstelling voor het hindoeïsme. Hij aanvaardde de op het hindoeïsme geënte transcendente meditatie, is in een leefgemeenschap in India gaan wonen, is lid van de Theosofische Vereniging en is sterk gericht op parapsychologisch onderzoek, dat bovennormale vermogens van kennis en werking in mensen onderzoekt, en dat bewijs zoekt voor het voortbestaan van de menselijke geest na de lichamelijke dood. Het is nogal duidelijk dat Gods Woord in al dit soort interesses geen enkele rol speelt. Ouweneel is er echter zozeer door gefascineerd, dat hij verwacht, dat de quantumtheorie, gecombineerd met nieuwe parapsychologische ontdekkingen, tot een indrukwekkende wetenschappelijke doorbraak zal kunnen leiden, ‘met gevolgen voor de evolutietheorie, de ontwikkelingsbiologie, de biologische gedragsleer en ook voor de metafysica’. Onder het laatste begrip valt ook de kennis van wat de mens en de wereld te boven gaat – dus ook de kennis van God en van engelen en demonen. Het is nogal ingrijpend welke verwachting Ouweneel koestert van de bronnen van kennis die hij met dit alles in het vizier krijgt! Carl Gustav Jung Een andere naam die bij Willem Ouweneel een nieuwe rol is gaan spelen is die van de psychiater Carl Gustav Jung. Jung is heel invloedrijk door zijn psychiatrische theorieën, die hem in hevig conflict brachten met Sigmund Freud, maar die vooral impact hebben doordat ze een grote openheid voor occulte therapieën en kenniswegen bevorderden. In Sluiers over de Schrift maakt Van der Ven duidelijk hoe hij zelf onder invloed van Jungiaanse therapie in nog dieper occult vaarwater en groter geestelijke duisternis gekomen is dan hij al was. Dat hij verbaasd is over de verandering in Ouweneels waardering van Jung is dus niet zo vreemd. Voorheen noemde Ouweneel Jung – met uitvoerige motivatie – een pertinente occultist, spiritist, demonisch geïnspireerd, antichristelijk en antigoddelijk. Nu wordt in Ouweneels Nachtboek van de ziel (1998) Jung degene die hem het meest helpt zijn dromen te interpreteren. Van der Ven maakt daar de nuchtere en verbaasde opmerking bij: ‘Men zou kunnen zeggen: een mens verandert in zijn leven, en dat is maar goed ook… Maar dan ontkomen we toch niet aan de vraag: hoe kan een occultist ineens niet (zo’n erge) occultist meer zijn? Je bent occultist of je bent het niet (je kunt ook niet ‘een beetje zwanger’ zijn).’ (113) Ouweneel zelf heeft zijn nieuwe kijk op Jung als ‘een wonderlijke leiding van Boven’ gezien toen hij stuitte op een boek over droomuitleg van een Jungiaanse therapeut. Zijn eerdere oordeel – luisterend naar de Schrift - over de ‘wijsheid’ van Jung was dan blijkbaar een dwaling. Dat een dergelijk gebrek aan verantwoording naïef wordt genoemd is feitelijk nog heel voorzichtig uitgedrukt. Van der Ven gaat uitvoerig in op de wereld van Jung, en het is heel leerzaam wat hij daarbij duidelijk maakt. Feitelijk zijn het evenzovele vragen bij de ontwikkeling van Ouweneel. Dat deze door de spiegel die hem wordt voorgehouden onaangenaam getroffen is, is wel te begrijpen. Dat hij op een wat bitse manier de broederlijke benadering in een begeleidende brief heeft afgewezen is menselijk gezien – laten we zeggen: vanuit het vlees - ook nog wel te begrijpen. Echter is er inhoudelijk zoveel aan de hand, dat degenen die eerder voor publicaties van Ouweneel dankbaar waren vanwege de bijbelse oriëntatie waar hij kennelijk op uit was, nu ook wel meer recht op verantwoording hebben dan Ouweneel zelf gegeven heeft. Iemand die zoveel geschreven heeft, draagt wel een grote verantwoordelijkheid als hij later een volstrekt tegengestelde koers vaart. Het gaat om meer De heroriëntatie van Willem Ouweneel heeft op nog meer terreinen doorgewerkt, met name in zijn opstelling ten opzichte van de charismatische beweging en in zaken als de genezingspraktijk van met name T.B. Joshua en Jan Zijlstra. In een laatste artikel hoop ik daar nader op in te gaan. In nog een ander opzicht gaat het om meer. Bij de doorwerking van nieuwe oriëntaties is de vraag naar de verhouding tussen de Schrift en de resultaten van de (?) wetenschappen of van andere ‘ervaringen’ die mensen hebben opgedaan, op een breder terrein aan de orde. Het christelijk leven, de ethiek, de theologie, maar ook de geestelijke leiding aan mensen die in de kerken gegeven wordt, staat voortdurend voor diezelfde vraag. Daar moet dus ook nog iets meer over worden gezegd.
|